Skip to main content
16 mei 2014

Rechtbank Den Haag: “crisisheffing kan”

Rechtbank Den Haag heeft uitspraak gedaan in een aantal procedures inzake 16% crisisheffing over hoge lonen in 2013. Volgens de rechtbank is de crisisheffing niet in strijd met de wet en/of het Europees recht.

De zogenoemde crisisheffing is ingevoerd om het begrotingstekort voor 2013 enigszins te dichten. Deze heffing houdt in dat werkgevers in 2013 een extra heffing verschuldigd waren over lonen hoger dan € 150.000 betaald in 2012. Tegen deze heffing is massaal door werkgevers bezwaar gemaakt. In een aantal procedures heeft Rechtbank Den Haag nu uitspraak gedaan. Er lopen tegen de crisisheffing nog een aantal proefprocedures die door de Belastingdienst in samenspraak met een aantal koepelorganisaties zijn aangespannen.

Door de werkgevers was onder meer aangevoerd dat de wet het niet mogelijk maakt dat bij de werkgever loonbelasting wordt geheven over een reeds door de werknemer genoten loonbestanddeel. Volgens de Haagse rechtbank faalt dit beroep omdat ten aanzien van de crisisheffing uitdrukkelijk is bepaald dat de pseudo-eindheffing hoge lonen wordt geheven ‘in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde’ (artikel 32bd lid 1 Wet LB 1964), dus ook, zo daar sprake van zou zijn, in afwijking van het bepaalde in de wet. Daarnaast stelden de werkgevers dat de crisisheffing in strijd was met het Europees recht (art. 1 Eerste Protocol EVRM; art. 26 IVBPR). Volgens hen was er door de pseudo-eindheffing (crisisheffing) sprake van een ontoelaatbare aantasting van het eigendomsrecht en was de heffing in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Hierover oordeelt de rechter dat de pseudo-eindheffing hoog loon geen ontoelaatbare aantasting van het eigendomsrecht zoals geformuleerd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM oplevert.

Evenmin is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR. De wetgever heeft volgens de rechter uitdrukkelijk gekozen voor een heffing bij de inhoudingsplichtige ter zake van het in 2012 door werknemers genoten loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Als werkgevers en werknemers en anderen met een inkomen van meer dan € 150.000 al kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen, dan kan niet worden gezegd dat de keuze voor een werkgeversheffing evident van redelijke grond is ontbloot. De rechtbank oordeelt dat de keuze voor het pakket aan maatregelen om het begrotingstekort terug te dringen onder meer ter voorkoming van een mogelijke boete van de Europese Unie oplopend tot € 1,2 miljard, bij uitstek een taak van de wetgever is.

De crisisheffing is slechts één onderdeel van dat pakket. De rechtbank oordeelt dat de wetgever, ondanks de met de crisisheffing gemoeide aspecten van terugwerkende kracht, binnen de hem toekomende ruime beleidsvrijheid is gebleven. De werkgevers hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een individuele buitensporige last. Van strijd met het internationale gelijkheidsbeginsel acht de rechtbank evenmin sprake.

Jurisprudentie: Rb. Den Haag, 7-05-2014

Terug

Nog niet uitgelezen?