Skip to main content
17 september 2026

Kabinet zet scenario’s nieuw box 3-stelsel op een rij

Het kabinet heeft dinsdag in een Kamerbrief de dilemma’s bij vier scenario’s voor de toekomst van box 3 opgesomd, variërend van aanpassingen aan de Wet werkelijk rendement tot een versnelde overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting. De financiële gevolgen van de verschillende scenario’s lopen sterk uiteen. De duurste route kost de schatkist tot en met 2035 bijna 20 miljard euro.

Uitgangspunt bij de scenario’s is nog altijd dat de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028 ingaat. Die wet, die in februari door de Tweede Kamer is aangenomen, combineert een vermogensaanwasbelasting met een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken. Minister Heinen en staatssecretaris Eerenberg schrijven in de Kamerbrief dat de gevolgen bij elk scenario groot zullen zijn. “Alle scenario’s kennen grote budgettaire en uitvoeringstechnische gevolgen, en verschillen in impact voor de burger en het investeringsklimaat. Dit maakt het een complex vraagstuk.”

Scenario 1: Novelle met aanpassingen

Het eerste scenario houdt vast aan invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 in 2028, maar met wijzigingen. Daaronder vallen:

  • Een carry-back van 1 jaar
  • Doorschuifregelingen bij huwelijk en echtscheiding en voor NSW-landgoederen
  • Aanpassingen voor startups en scale-ups
  • Een regeling voor groen beleggen

Ook zijn een verlaging van het box 3-tarief en een hoger heffingsvrij resultaat als mogelijke parameterwijzigingen doorgerekend.

De aanpassingen uit dit scenario kosten gezamenlijk maximaal 5,7 miljard euro tot en met 2035. Het kabinet tekent daarbij aan dat deze maatregelen weliswaar tegemoetkomen aan bezwaren die tijdens de parlementaire behandeling naar voren zijn gebracht, maar niet aan alle kritiek. Ze zouden bijvoorbeeld de fundamentele bezwaren tegen een vermogensaanwasbelasting niet wegnemen.

Scenario 2 en 3: Vermogenswinstbelasting vanaf 2030

Zowel scenario 2 als 3 gaat uit van een volledige vermogenswinstbelasting vanaf 2030, waarvoor een afzonderlijk wetsvoorstel nodig is. Het verschil zit in de tussenliggende jaren.

Scenario 2:

Bij scenario 2 wordt de Wet werkelijk rendement in 2028 gewoon ingevoerd, eventueel met de verbeteringen uit scenario 1. Vanaf 2030 volgt vervolgens de volledige vermogenswinstbelasting. Daarmee geldt vanaf 2028 voor iedereen belastingheffing over het werkelijke rendement, maar is gedurende enkele jaren nog sprake van een vermogensaanwasbelasting.

De overgang naar een vermogenswinstbelasting kost in dit scenario naar schatting 6,3 miljard euro tot en met 2031 en 12,9 miljard euro tot en met 2035. Het grootste deel daarvan hangt samen met vastgoed en effecten.

Scenario 3:

Scenario 3 slaat de Wet werkelijk rendement juist helemaal over. Het wetsvoorstel wordt dan ingetrokken en het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijs blijft tot 2030 bestaan. Daarna is er in één keer een overstap naar een volledige vermogenswinstbelasting.

Het genoemde voordeel: de stap naar het gewenste eindbeeld wordt in één keer gezet. De nadelen van het forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling blijven hiermee echter langer van kracht. Dit is daarom het scenario met de hoogste cumulatieve budgettaire derving. Die derving bedraagt 13,1 miljard euro tot en met 2031 en loopt op tot 19,7 miljard euro tot en met 2035.

Scenario 4: Versnelde route vanaf 2028

Scenario 4 brengt de vermogenswinstbelasting al in 2028 naar alle financiële instrumenten, waaronder aandelen, obligaties en opties. Daarmee zou vanaf dat jaar circa 90 procent van het vermogen met waardeontwikkeling in box 3 onder een vermogenswinstbelasting vallen. In 2030 worden vervolgens ook de overige vermogensbestanddelen onder het nieuwe systeem gebracht.

Deze versnelde route kent volgens het kabinet wel grote uitdagingen qua uitvoerbaarheid en handhaving. Dit scenario doet namelijk een groot beroep op belastingplichtigen, omdat banken tenminste in het eerste jaar geen gegevens kunnen aanleveren voor de vooraf ingevulde aangifte.

Budgettair komt dit scenario uit op een derving van ruim 11 miljard euro tot en met 2031 en 15,6 miljard euro tot en met 2035.

Dekking ook buiten box 3 gezocht

Omdat alle routes geld kosten, heeft het kabinet ook een reeks mogelijke dekkingsmaatregelen doorgerekend. Die beperken zich niet tot box 3. Zo werd naar de volgende punten gekeken:

  • Binnen box 3 levert een verhoging van het forfait met 1,78 procentpunt structureel 768 miljoen euro op.
  • Een verlaging van het heffingsvrije vermogen met 10.000 euro levert structureel 231 miljoen euro op en één procentpunt verhoging van het tarief 197 miljoen euro.
  • Het afschaffen van het lage Vpb-tarief zou structureel ruim 3 miljard euro opleveren, terwijl verlaging van de schijfgrens van 200.000 naar 100.000 euro structureel bijna 1,1 miljard euro oplevert.
  • Het verlagen van het aangrijpingspunt van het toptarief in de inkomstenbelasting met 3.500 euro zou een structurele opbrengst van ruim 1,2 miljard euro opleveren.

Verder noemt het kabinet onder meer:

  • Het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor kampeergelegenheid
  • Het stapsgewijs schrappen van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
  • Het beëindigen van het lagere motorrijtuigenbelastingtarief voor bestelauto’s van ondernemers
  • Het afschaffen van de zelfstandigenaftrek

Wat duidelijk is: alle oplossingsrichtingen gaan gepaard met een aanzienlijke budgettaire derving die het kabinet conform de begrotingsregels wil kunnen dekken.

Bron: Fiscaal Vanmorgen

Terug

Nog niet uitgelezen?